ECLI:NL:CRVB:2022:900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering ondanks 100% arbeidsongeschiktheid wegens niet-duurzame beperkingen
Appellante, voormalig medewerker thuiszorg, meldde zich ziek met spanningsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees aanvankelijk een uitkering af wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar kende later een loongerelateerde WGA-uitkering toe omdat zij 100% arbeidsongeschikt werd geacht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat er onvoldoende passende functies waren, maar dat de beperkingen niet volledig duurzaam waren, met name de psychische klachten konden verbeteren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende gemotiveerd had dat zij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het besluit onvoldoende transparant was en dat de psychische en lichamelijke klachten niet los van elkaar gezien konden worden. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging had gemaakt over de duurzaamheid en herstelkansen, waarbij een gerede kans op verbetering binnen een jaar was vastgesteld. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het UWV te betwijfelen of een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een IVA-uitkering bevestigd.