ECLI:NL:CRVB:2022:905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende objectivering klachten
Appellante verzocht om een WIA-uitkering met ingang van 20 augustus 2018, maar het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 35% bedroeg en weigerde de uitkering. Appellante voerde aan dat de beperkingen op basis van een door haar ingevulde PSK-vragenlijst onvoldoende werden meegewogen en dat de beoordeling niet in lijn was met eerdere uitspraken.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat het rapport van de verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd was ten aanzien van de afwijkingen die de bekkenfysiotherapeut had geconstateerd. Het UWV heeft in het bestreden besluit een nieuw rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd waarin de PSK als meetinstrument werd toegelicht en de beperkingen van appellante werden beoordeeld als onvoldoende objectief en niet direct aantoonbaar.
De Raad oordeelde dat het UWV het motiveringsgebrek had hersteld, dat de beperkingen passend waren vastgesteld en dat appellante geen aanvullende medische informatie had aangeleverd die zwaardere beperkingen zou rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van een WIA-uitkering bevestigd.