Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:930

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
21/671 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 PWArt. 31 PWArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot starten procedure kinderalimentatie voor alleenstaande ouder bevestigd

Appellante ontvangt sinds 2014 bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg na de geboorte van haar dochter in 2019 bijstand als alleenstaande ouder. Het college legde haar op grond van artikel 55 PW Pro de verplichting op om een procedure te starten tot het verkrijgen van kinderalimentatie voor haar dochter. Deze verplichting werd gehandhaafd na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt en dat kinderalimentatie als middel in aanmerking moet worden genomen. Appellante had niet met concrete, verifieerbare stukken onderbouwd dat het in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd om de aanspraak op kinderalimentatie te gelde te maken.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de bijstand voor een alleenstaande ouder gelijk is aan die voor een alleenstaande en dat daarom geen sprake is van gezinsbijstand, waardoor de verplichting onterecht zou zijn. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren die door de rechtbank gemotiveerd zijn weerlegd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verplichting tot het starten van een procedure voor kinderalimentatie en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

21 671 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
26 januari 2021, 20/2394 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk (college)
Datum uitspraak: 19 april 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.A. Alderlieste, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 24 april 2014 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Na de geboorte van haar dochter op [Geboortedatum] 2019 heeft het college de bijstand van appellante herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Bij besluit van 13 december 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 april 2020 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante op grond van artikel 55 van Pro de PW de verplichting opgelegd om voor 1 februari 2020 een procedure te starten tot het verkrijgen van kinderalimentatie voor haar dochter. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de vader onderhoudsplichtig is voor de dochter van appellante. Kinderalimentatie wordt als middel in de zin van artikel 31 van Pro de PW aangemerkt. De bijstand wordt als gezinsbijstand verstrekt, zodat de middelen van alle gezinsleden en dus ook alimentatie voor de dochter, als hierop aanspraak bestaat, in beginsel in aanmerking worden genomen. Hieruit volgt ook de bevoegdheid tot het opleggen van de verplichting aan appellante om via een procedure kinderalimentatie van de vader van haar dochter te verkrijgen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellante jegens de vader van haar dochter aanspraak heeft op kinderalimentatie. Volgens de uitspraak van 14 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3953, wordt de bijstand zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen verstrekt. Kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. De stelling dat de bijstandsuitkering per 13 oktober 2019 niet mede ten behoeve van het levensonderhoud van de dochter van appellante is verstrekt, wordt dan ook niet gevolgd. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden – waaronder kinderalimentatie – in beginsel in aanmerking te worden genomen. Dit sluit aan bij het complementaire karakter van de bijstand. Wat appellante heeft aangevoerd over de hoogte van de bijstandsuitkering, het kindgebonden budget en de wetsgeschiedenis geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover appellante betoogt dat het college niet bevoegd was tot het opleggen van de verplichting, wordt zij daarin niet gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat appellante aan deze verplichting reeds gevolg heeft gegeven en de vader van haar dochter bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie van € 17,- per maand. Appellante heeft verder niet met concrete verifieerbare stukken onderbouwd dat in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd dat zij deze aanspraak te gelde maakt.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante – samengevat weergegeven – aangevoerd dat eventueel te ontvangen kinderalimentatie niet in mindering kan worden gebracht op de bijstand. Volgens appellante is geen sprake van gezinsbijstand. De hoogte van de bijstand voor een alleenstaande ouder is hetzelfde als voor een alleenstaande. Van appellante kan daarom niet gevergd worden de aanspraak op kinderalimentatie te gelde te maken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust.
4.2.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A.F. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2022.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) A.F. Hulskes