ECLI:NL:CRVB:2022:930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot starten procedure kinderalimentatie voor alleenstaande ouder bevestigd
Appellante ontvangt sinds 2014 bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg na de geboorte van haar dochter in 2019 bijstand als alleenstaande ouder. Het college legde haar op grond van artikel 55 PW Pro de verplichting op om een procedure te starten tot het verkrijgen van kinderalimentatie voor haar dochter. Deze verplichting werd gehandhaafd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt en dat kinderalimentatie als middel in aanmerking moet worden genomen. Appellante had niet met concrete, verifieerbare stukken onderbouwd dat het in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd om de aanspraak op kinderalimentatie te gelde te maken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de bijstand voor een alleenstaande ouder gelijk is aan die voor een alleenstaande en dat daarom geen sprake is van gezinsbijstand, waardoor de verplichting onterecht zou zijn. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren die door de rechtbank gemotiveerd zijn weerlegd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verplichting tot het starten van een procedure voor kinderalimentatie en verklaart het hoger beroep ongegrond.