ECLI:NL:CRVB:2022:951

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
9 mei 2022
Zaaknummer
21/2942 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij AOW-uitkering

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin hem een AOW-uitkering van 56% van het maximale bedrag werd toegekend. Het bezwaar werd echter niet tijdig ingediend, waardoor de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat hem het recht van spreken werd ontnomen en dat de Svb met hem tot een overeenkomst had moeten komen. De Svb verweerde zich met het argument dat de bezwaartermijn was overschreden en dat er geen verschoonbare reden voor deze overschrijding was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de termijn voor het indienen van het bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht zes weken bedraagt en dat deze termijn was overschreden zonder geldige reden.

De Raad benadrukte dat de Svb niet verplicht is om een overeenkomst te sluiten over de hoogte van de AOW-uitkering, maar dat appellant wel de mogelijkheid heeft om de Svb te verzoeken het besluit te herzien indien er redenen zijn waarom de uitkering te laag is vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het AOW-besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

21.2942 AOW

Datum uitspraak: 22 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2021, 20/4822 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Frankrijk (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2022. Appellant is verschenen. Het Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.
In een besluit van 19 mei 2020 heeft de Svb appellant een ouderdomspensioen op grond van Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend van 56% van het maximale ouderdomspensioen.
1.2.
Appellant heeft in een digitaal bericht van 2 juli 2020 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 mei 2020.
1.3.
In een besluit van 30 juli 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant nietontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig bezwaar is gemaakt en de overschrijding van de bezwaartermijn volgens de Svb niet verschoonbaar is.
2. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en appellant daarvoor geen goede reden had.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hem het recht van spreken is ontnomen door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant vindt dat de Svb met hem tot een overeenkomst moet komen en niet tegenover hem moet gaan staan.
3.2.
De Svb stelt dat het niet mogelijk is om het bezwaar alsnog inhoudelijk te beoordelen, omdat de bezwaartermijn is overschreden en de Svb verplicht is die termijn toe te passen. Ook vindt de Svb dat appellant geen goede reden voor de termijnoverschrijding heeft gegeven.
4. Partijen verschillen van mening of de Svb het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege overschrijding van de termijn voor het indien van het bezwaarschrift.
4.1.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ook ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is overschreden.
4.3.
Er is geen reden om aan te nemen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Appellant heeft namelijk erkend dat het bezwaar te laat is gemaakt en heeft ook desgevraagd geen redenen genoemd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen.
4.4.
Anders dan appellant stelt, heeft de Svb niet de mogelijkheid om met appellant tot een overeenkomst te komen over de hoogte van het ouderdomspensioen. Wel heeft appellant de mogelijkheid om een de Svb te vragen om terug te komen van zijn besluit 19 mei 2020 als er redenen zijn waarom de hoogte van het ouderdomspensioen te laag is vastgesteld.
4.5.
Geconcludeerd wordt dat de Svb het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.6.
Uit overweging 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep de bevestigt aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.E. van Donk