ECLI:NL:CRVB:2022:951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij AOW-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin hem een AOW-uitkering van 56% van het maximale bedrag werd toegekend. Het bezwaar werd echter niet tijdig ingediend, waardoor de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hem het recht van spreken werd ontnomen en dat de Svb met hem tot een overeenkomst had moeten komen. De Svb verweerde zich met het argument dat de bezwaartermijn was overschreden en dat er geen verschoonbare reden voor deze overschrijding was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de termijn voor het indienen van het bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht zes weken bedraagt en dat deze termijn was overschreden zonder geldige reden.
De Raad benadrukte dat de Svb niet verplicht is om een overeenkomst te sluiten over de hoogte van de AOW-uitkering, maar dat appellant wel de mogelijkheid heeft om de Svb te verzoeken het besluit te herzien indien er redenen zijn waarom de uitkering te laag is vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het AOW-besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.