ECLI:NL:CRVB:2023:1249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2023
Publicatiedatum
30 juni 2023
Zaaknummer
22/3092 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken beroepsgronden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen een bepaalde termijn. Ondanks herhaalde aanmaningen, waaronder aangetekende brieven en mededelingen over de gevolgen van niet-betaling, heeft appellant het griffierecht niet voldaan.

Daarnaast bevatte het ingediende beroepschrift geen gronden van het beroep, hetgeen ook een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht. Appellant is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om deze tekortkoming te herstellen, maar heeft ook deze termijnen ongebruikt laten verstrijken.

Gezien het niet voldoen aan de betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden, heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat appellant in verzuim is. Hierdoor is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

Datum uitspraak:
22/3092 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 augustus 2022, 21/5373
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 29 september 2022 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 30 oktober 2022 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij brief van 6 december 2022 heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij een nieuw postadres heeft en heeft appellant verzocht de nota voor het betalen van het griffierecht naar het nieuwe adres te sturen omdat deze zou zijn kwijtgeraakt.
Op 13 januari 2023 is vervolgens nogmaals een aangetekende brief naar appellant toegezonden met inachtneming van het gewijzigde adres. Deze is tevens op 18 januari 2023 per reguliere post naar appellant toegezonden met daarbij de mededeling dat er met deze nieuwe toezending geen nieuwe termijn gaat lopen maar dat de termijn zoals gesteld in de aangetekende brief van 13 januari 2023 geldend blijft.
Het griffierecht is ondanks deze brieven niet binnen de termijn betaald.
Voorts is in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 18 oktober 2022 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 22 november 2022 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van zes weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zou hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Zoals eerder in deze uitspraak beschreven heeft appellant de Raad op de hoogte gesteld van zijn adreswijziging. Daarom heeft de Raad bij aangetekende brief van 12 januari 2023 appellant nog eenmaal de gelegenheid geboden de gronden van het hoger beroep in te dienen. Hierbij is een termijn van zes weken gesteld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt laten verstrijken.
Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op *.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) D. van der Boom
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.