ECLI:NL:CRVB:2023:1446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag BerkelBike op grond van adequaatheid bestaande voorzieningen
Appellant, geboren in 1961 en lijdend aan een incomplete dwarslaesie, vroeg het college om een BerkelBike als maatwerkvoorziening. Het college wees dit verzoek af omdat appellant al over een handbewogen rolstoel, scootmobiel en vervoerspas beschikte, die adequaat in zijn vervoersbehoefte voorzagen. Een medisch advies van september 2020 bevestigde dat de reeds verstrekte voorzieningen medisch gezien toereikend waren.
Appellant stelde dat de BerkelBike noodzakelijk was om zijn benen te trainen en conditie te verbeteren, maar het college en de rechtbank oordeelden dat het bevorderen van conditie geen taak is van de Wmo 2015. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond het medisch advies zorgvuldig en zag geen aanleiding om daarvan af te wijken, ook niet op basis van een brief van de ergotherapeut en revalidatiearts uit 2022. Hoewel de BerkelBike een positief effect op de gezondheid zou kunnen hebben, is het college niet verplicht deze te verstrekken als de bestaande voorzieningen adequaat zijn en technisch nog niet zijn afgeschreven.
Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag voor een BerkelBike wordt afgewezen omdat de reeds verstrekte scootmobiel adequaat is en technisch nog niet is afgeschreven.