ECLI:NL:CRVB:2023:1559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens gebrek aan beschikbaarheid voor arbeid
Appellant heeft meerdere malen een WW-uitkering aangevraagd na het verlies van zijn dienstbetrekking bij een supermarkt. Het UWV heeft deze aanvragen telkens afgewezen omdat appellant niet beschikbaar was voor werk. Appellant heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze besluiten, maar heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vastgesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich beschikbaar heeft gesteld voor arbeid. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel beschikbaar was voor passend werk gezien zijn handicap, maar dit is onvoldoende onderbouwd met concrete sollicitatieactiviteiten of bewijs.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en oordeelt dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1 november 2020 beschikbaar was voor arbeid.