ECLI:NL:CRVB:2023:1591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was werkzaam als orderpicker en meldde zich in 2010 ziek met diverse klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 59%, later gevolgd door een WGA-vervolguitkering met een mate van 55 tot 65%.
Na een melding van verslechterde gezondheid heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij een arts beperkingen vaststelde en een arbeidsdeskundige passende functies selecteerde. Het UWV besloot in juni 2019 dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WGA-uitkering. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank bevestigde dit oordeel na een zorgvuldige medische beoordeling en wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt zonder nieuwe medische informatie aan te leveren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, bevestigde de beëindiging van de WGA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.