Appellant had een tijdelijke ontheffing van de sollicitatie- en arbeidsplicht gekregen van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen. Na bezwaar behield het college deze tijdelijke ontheffing met een besluit van 26 maart 2020. Appellant stelde echter pas op 23 november 2020 beroep in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant te laat was met het indienen van het beroep en dit hem te verwijten viel. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van naam- en identiteitsfraude, maar gaf geen verklaring voor de late indiening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in verzuim was en bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring. Tevens werd appellant geen griffierecht teruggegeven en geen proceskostenvergoeding toegekend.