Appellant diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV op 17 oktober 2017 werd afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd op 18 april 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
Naar aanleiding van een deskundigenrapport van een psychiater concludeerde de verzekeringsarts dat appellant wel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het UWV nam daarop op 15 november 2022 een nieuwe beslissing waarin het bezwaar van appellant werd gehonoreerd en stelde dat appellant vanaf 26 september 2017 recht heeft op een Wajong-uitkering.
Appellant reageerde niet op deze nieuwe beslissing. De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen het besluit van 18 april 2018 niet-ontvankelijk is wegens het vervallen van het procesbelang, omdat het UWV met de nieuwe beslissing volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Het hoger beroep werd daarom niet inhoudelijk behandeld.
De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van €1.674,- en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €174,-. Het hoger beroep werd uitgesproken door M. Schoneveld op 30 augustus 2023.