ECLI:NL:CRVB:2023:1700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding van de sociale recherche dat appellant op 3 december 2019 werkend werd aangetroffen in een autogarage, heeft de gemeente Nijmegen onderzoek verricht. Uit waarnemingen en verklaringen bleek dat appellant (bijna) dagelijks aanwezig was in de garage en op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, terwijl hij dit niet had gemeld aan het college.
Het college trok de bijstand over de periode december 2019 tot en met januari 2020 in en vorderde te veel ontvangen bijstand terug. Daarnaast legde het college een bestuurlijke boete op, die later werd gematigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en vernietigde de boete. Appellanten gingen in hoger beroep tegen het intrekkingsbesluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanwezigheid in de garage slechts dagbesteding was zonder op geld waardeerbare werkzaamheden. De waarnemingen en eigen verklaringen ondersteunen dat hij werkzaamheden verrichtte waarvoor een vergoeding kan worden bedongen. Omdat appellant dit niet heeft gemeld, is de inlichtingenverplichting geschonden. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking, terugvordering en verrekening van bijstand blijven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden worden bevestigd.