Uitspraak
22.1706 WAO
OVERWEGINGEN
(per datum einde detentie) ongewijzigd vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 1997 een WAO-uitkering, die sinds 2007 is vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. De uitkering werd ingetrokken tijdens zijn detentie in 2017 en hervat in 2018. Appellant meldde in 2020 een verslechtering van zijn gezondheid, waaronder toegenomen schouderklachten, psychische stress en een fractuur in de linker voet opgelopen tijdens detentie.
Na medisch en arbeidskundig onderzoek handhaafde het UWV de vaststelling van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de toegenomen beperkingen niet leidden tot een hoger percentage, aangezien appellant nog geschikt werd geacht voor lichter werk.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten werden onderschat en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat de medische en psychische klachten voldoende waren betrokken bij de beoordeling en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om twijfel aan de vastgestelde beperkingen te rechtvaardigen.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige of toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WAO-uitkering terecht heeft vastgesteld op 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.