ECLI:NL:CRVB:2023:1732

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 september 2023
Publicatiedatum
12 september 2023
Zaaknummer
22/2384 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens griffierechtbetaling

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar de Centrale Raad van Beroep verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig zou zijn betaald. Namens appellante werd verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

Na onderzoek bleek dat het griffierecht wel binnen de gestelde termijn was voldaan, maar abusievelijk op 24 november 2022 was teruggestort. De Raad verklaarde het verzet daarom gegrond, vernietigde de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en besloot het onderzoek voort te zetten in de stand waarin het zich bevond.

Daarnaast veroordeelde de Raad het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot betaling van de proceskosten van appellante voor het verzet, vastgesteld op €418,50. De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend, met M.S. Autar als griffier, op 12 september 2023.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 september 2023
22/2384 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2022, 21/2608 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 12 juli 2023 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. T. Erdal verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 12 juli 2023 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat op 22 november 2022 een aangetekende brief is ontvangen met een herinnering voor de betaling van het griffierecht. Vervolgens is het griffierecht nog op dezelfde dag betaald.
Uit onderzoek van de Raad is gebleken dat het verschuldigde griffierecht inderdaad binnen de gestelde termijn is voldaan. Op 24 november 2022 is het griffierecht abusievelijk teruggestort.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard. De uitspraak van de Raad van 12 juli 2023 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van het verzet van appellante tot een bedrag van € 418,50 voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt het college in de kosten van het verzet van appellante tot een bedrag van
€ 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van M.S. Autar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.S. Autar