ECLI:NL:CRVB:2023:1797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A.H. van Dalen-van Bekkum
- M. Dafir
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid Nederland tot heffen buitenlandbijdrage ondanks geen kostenafrekening met Ierland
Betrokkene, woonachtig in Ierland en pensioengerechtigde in Nederland, werd door het CAK een buitenlandbijdrage opgelegd over 2018. Betrokkene stelde dat deze bijdrage onrechtmatig was omdat Ierland geen kosten had gedeclareerd bij Nederland voor verstrekte zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad baseert zich op de Verordening 883/2004 en relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waaronder de arresten Rundgren en Van Delft e.a.
Deze jurisprudentie stelt dat het recht op verstrekkingen in het woonland ten laste van de pensioenstaat de bevoegdheid tot het heffen van bijdragen door die pensioenstaat niet beperkt, ook als de woonstaat geen kosten declareert. De wijze van kostenvergoeding tussen lidstaten heeft geen invloed op de verhouding tussen het bevoegde orgaan en de verdragsgerechtigde.
De Raad concludeert dat Nederland terecht de buitenlandbijdrage heeft geheven en dat het hoger beroep faalt. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat Nederland bevoegd is de buitenlandbijdrage te heffen ondanks het ontbreken van kostenafrekening met Ierland.