ECLI:NL:CRVB:2023:1820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Minister mag prestatiebeurs niet omzetten in gift wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellant vroeg de minister om zijn ontvangen prestatiebeurs om te zetten in een gift vanwege gezondheidsklachten die hem belemmerden zijn mbo-opleiding niveau 3 of 4 binnen de diplomatermijn af te ronden. De minister wees dit verzoek af, gesteund op medisch advies van een arts.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medisch adviesrapport als voldoende onderbouwing beschouwde. Appellant stelde in hoger beroep dat hij ten onrechte niet persoonlijk was onderzocht en dat zijn medische beperkingen ernstiger waren dan erkend.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat appellant onvoldoende feitelijke grondslagen had overlegd om aan te tonen dat hij als direct gevolg van bijzondere medische omstandigheden van structurele aard niet binnen de diplomatermijn kon afstuderen. Het rapport van de psycholoog bood geen bewijs van een specifieke psychische stoornis volgens de DSM-systematiek.
De Raad vond dat het achterwege laten van een persoonlijk onderzoek door de minister geen onzorgvuldigheid opleverde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De minister mocht de prestatiebeurs niet omzetten in een gift omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij door structurele medische omstandigheden niet binnen de diplomatermijn kon afstuderen.