ECLI:NL:CRVB:2023:1915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening duur na-wettelijke uitkering ondanks dienstperiode bij stichtingen
Appellant, voormalig werknemer van de gemeente Leiden, kreeg een na-wettelijke uitkering toegekend tot 19 maart 2022. Het college had bij de berekening van de duur van deze uitkering de periode van 1 juni 1991 tot 1 mei 2003, waarin appellant werkzaam was bij twee stichtingen, niet meegerekend omdat de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) daar niet van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht deze periode buiten beschouwing had gelaten en kende appellant alleen een vergoeding toe voor gemaakte kosten in bezwaar. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat deze periode wel meegeteld moest worden omdat hij vanuit de gemeente Utrecht bij de stichtingen was tewerkgesteld.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in dienst was van de gemeente Utrecht in die periode en dat de stichtingen een eigen cao hadden, waardoor de CAR/UWO niet van toepassing was. Ook het feit dat appellant een gratificatie voor 25 jaar overheidsdienst had ontvangen, leidde niet tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de periode bij de stichtingen niet meetelt voor de duur van de na-wettelijke uitkering en wijst het hoger beroep af.