ECLI:NL:CRVB:2023:1955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant diende een aanvraag om bijstand in, welke door het college van burgemeester en wethouders van Arnhem werd afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres lag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat appellant het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven niet op het opgegeven adres had. Dit oordeel was gebaseerd op een huisbezoek waarbij weinig persoonlijke spullen werden aangetroffen, en op de verklaring van appellant zelf dat hij het grootste deel van zijn tijd elders verbleef.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk op het opgegeven adres woonde en dat zijn persoonlijke spullen en post daar waren, maar de Raad oordeelde dat de situatie tijdens het huisbezoek onvoldoende bewijs leverde voor het hoofdverblijf. De Raad wees erop dat de situatie tijdens een later huisbezoek, dat leidde tot toekenning van bijstand, wezenlijk anders was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de afwijzing van de aanvraag om bijstand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres lag.