ECLI:NL:CRVB:2023:2051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als administratief medewerker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek door het Uwv werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat, met name op energetische gronden, en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege specifieke belastingaspecten.
De Raad oordeelde dat de artsen van het Uwv hun standpunt voldoende hadden onderbouwd en dat het dagverhaal representatief was uitgevraagd. De arbeidsdeskundige had ook gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend waren. Appellante bracht geen nieuwe medische stukken in en haar argumenten leidden niet tot twijfel aan de eerdere conclusies.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.