ECLI:NL:CRVB:2023:2268

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
22/2706 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in AOW-zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond betreffende een AOW-zaak. De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek van appellant om vrijstelling van betaling van het griffierecht afgewezen. Ondanks meerdere aanmaningen en herinneringen heeft appellant slechts gedeeltelijke betalingen van het griffierecht gedaan, waardoor het volledige griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan.

De Raad heeft vastgesteld dat appellant in verzuim is geweest met de betaling van het griffierecht. Op grond hiervan is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en is op 1 december 2023 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het volledige griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 december 2023
22/2706 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juli 2022, 20/149 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 1 december heeft de Raad het verzoek van appellant om vrijstelling van betaling van het griffierecht afgewezen. Bij brief van 2 december 2022 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 2 januari 2023 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Op 2 januari heeft appellant € 1,- aan griffierecht betaald.
Bij brief van 3 januari 2023 heeft de Raad een nieuw verzoek van appellant om vrijstelling van betaling van het griffierecht, afgewezen.
Op 31 januari 2023 heeft appellant € 1,50 aan griffierecht betaald.
Appellant heeft met de twee betaalde bedragen niet het volledige griffierecht binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2023.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.