Appellante ontving sinds 2001 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en andere aandoeningen. Na een herbeoordeling in 2020 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 15%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, met name vanwege psychische klachten en fysieke aandoeningen.
De rechtbank vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de psychische toestand van appellante significant was verbeterd sinds eerdere beoordelingen. Er was geen bewijs dat haar beperkingen gelijk waren gebleven of waren toegenomen.
Ook ten aanzien van haar fysieke aandoeningen, zoals de ziekte van Crohn, diabetes en hoge bloeddruk, was er geen medische onderbouwing voor aanvullende beperkingen. De arbeidsdeskundige had passend werk geselecteerd dat binnen haar belastbaarheid lag, en appellante voldeed aan de opleidingseisen voor die functies.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WAO-uitkering had beëindigd en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet terugbetaald.