ECLI:NL:CRVB:2023:379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig taxichauffeuse, ontving sinds 2008 een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid tussen 80 en 100%. Na een herbeoordeling in 2017 heeft het UWV vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, waarna de uitkering per 4 augustus 2018 werd beëindigd. De ex-werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd toegewezen door het UWV.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging van haar WIA-uitkering ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat de functies waarop de beoordeling is gebaseerd ongeschikt zijn. Zij overhandigde een deskundigenrapport dat de zorgvuldigheid van het UWV in twijfel trok.
De Raad benoemde een onafhankelijke arbeidsdeskundige die concludeerde dat de functies machinaal metaalbewerker, medewerker intern transport en medewerker tuinbouw medisch gezien geschikt zijn voor appellante. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd. Er werd niet toegekomen aan de vraag of appellante in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.