ECLI:NL:CRVB:2023:397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant diende op 25 augustus 2020 een aanvraag in voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met X, hetgeen ook door de rechtbank werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant en X hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek uit diverse feiten, zoals het gebruik van elkaars boodschappen, het gezamenlijk schoonmaken van de woning, het gebruik van de auto van X door appellant, en het feit dat de etenswaren door elkaar lagen in de koelkast.
Appellant voerde aan dat zijn lage IQ meegewogen had moeten worden bij de beoordeling van de wederzijdse zorg, maar dit verweer werd verworpen omdat de beoordeling objectief dient te zijn. De Raad concludeerde dat appellant gebruikelijke zorg verleende.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand voor een alleenstaande is terecht afgewezen vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.