ECLI:NL:CRVB:2023:458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bijstand naar norm voor gehuwden ondanks betwisting gezamenlijke huishouding
Appellant ontving aanvankelijk bijstand als alleenstaande, maar sinds 2003 samen met B naar de norm voor gehuwden. Uit hun relatie zijn drie kinderen geboren en zij hebben hun hoofdverblijf in dezelfde woning. Na het vertrek van M, de echtgenote van appellant, heeft het college bijstand toegekend naar de gehuwdennorm met toepassing van de kostendelersnorm.
Appellant betwistte dat hij met B een gezamenlijke huishouding voert en vorderde bijstand als alleenstaande op grond van het individualiseringsbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een zeer bijzondere situatie. De subjectieve beleving van de relatie en de reden van samenwoning zijn niet relevant voor de toepassing van de Participatiewet.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De Raad bevestigde dat appellant recht heeft op bijstand naar de gehuwdennorm en wees het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend naar de norm voor gehuwden omdat appellant met B een gezamenlijke huishouding voert.