ECLI:NL:CRVB:2023:462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde drugshandel
Appellant ontving bijstand sinds december 2015, maar deze werd ingetrokken per 8 april 2020 vanwege zijn detentie. Na zijn aanhouding wegens drugshandel startte de gemeente Zwolle een onderzoek. Getuigen verklaarden dat appellant al ongeveer een jaar cocaïne leverde. Appellant gaf toe vanaf oktober/november 2019 drugs te verhandelen zonder boekhouding bij te houden en dit niet te melden aan het college.
Het college beëindigde de bijstand over de periode 7 april 2019 tot 8 april 2020 en vorderde de kosten van bijstand terug wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat de strafprocedure en getuigenverklaringen voldoende grondslag boden. Appellant leverde geen bewijs dat de rechtbank onjuiste feiten hanteerde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas eind 2019 begon met drugshandel en dat de ontnemingsprocedure en zijn detentie dringende redenen vormden om terugvordering achterwege te laten. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende zijn en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Ook wees de Raad op de wettelijke bescherming bij invordering, zoals de beslagvrije voet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde drugshandel en het ontbreken van een deugdelijke administratie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde drugshandel en het ontbreken van administratie.