ECLI:NL:CRVB:2023:504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
20 maart 2023
Zaaknummer
21 / 4280 ANW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • O.L.H.W.I.
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Anw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg

In deze zaak gaat het om de intrekking van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 december 2018. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft het besluit genomen omdat appellante vanaf 9 november 2018 met X een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit tijdig te melden, waardoor zij niet meer voldeed aan de voorwaarden voor de uitkering.

De rechtbank Amsterdam had het besluit van de Svb in stand gelaten, en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van wederzijdse zorg binnen de gezamenlijke huishouding. Volgens artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg voor elkaar dragen door een bijdrage aan de huishoudkosten of anderszins.

Niet in geschil was dat appellante en X hun hoofdverblijf deelden. De vraag was of er sprake was van wederzijdse zorg. Omdat financiële verstrengeling ontbrak, werd gekeken naar andere feiten en omstandigheden. Uit verklaringen bleek dat zij samen de administratie deden, boodschappen deden die appellante betaalde, het huishouden samen deden, elkaar verzorgden bij ziekte en gezamenlijke activiteiten ondernamen. Dit was voldoende om van wederzijdse zorg te spreken.

De Raad concludeerde dat de Svb terecht de uitkering had ingetrokken en dat het hoger beroep niet slaagde. De intrekking van de Anw-uitkering blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg wordt bevestigd.

Uitspraak

21.4280 ANW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2021, 21/2465 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 28 februari 2023
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: N. van de Horn
Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking van de nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 december 2018. De Svb heeft aan dit besluit van 27 januari 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 april 2021 (bestreden besluit), ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan tijdig melding te maken bij de Svb, vanaf 9 november 2018 met X een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op het uitkeringsadres waardoor zij niet meer voldeed aan de voorwaarden voor de nabestaandenuitkering. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten. Appellante heeft aangevoerd dat de Svb ten onrechte gekeken heeft naar gezamenlijke activiteiten van appellante en X.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Niet in geschil is dat appellante en X in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Daarom hoeft alleen te worden beoordeeld of de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.
Wederzijdse zorg kan bestaan indien sprake is van financiële verstrengeling of van andere feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat appellanten zorg aan elkaar verlenen. Dit zijn geen cumulatieve vereisten. Omdat niet in geschil is dat geen sprake is van financiële verstrengeling, dienen andere aspecten van zorg aan elkaar te worden beoordeeld. Het ondernemen van gezamenlijke activiteiten, zoals het samen op vakantie gaan, behoeft niet noodzakelijkerwijs gepaard te gaan met enige vorm van wederzijdse zorg.
Appellante en X hebben tijdens het telefonisch gesprek op 22 december 2020 verklaard dat ze alles samen doen, dat ze de administratie samen doen, dat ze samen boodschappen doen die appellante betaalt, dat ze het huishouden gezamenlijk doen, beiden koken, beiden doen ze de was en strijk en X doet klusjes in en rond het huis. Tevens verzorgen ze elkaar bij ziekte. Hiermee staat voldoende vast dat sprake is van wederzijdse zorg. Dat de Svb ook acht heeft geslagen op gezamenlijke activiteiten zoals het ontvangen van bezoek of het maken van een uitje is bij deze stand van zaken niet meer van belang.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de Anw-uitkering in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.