Appellante maakte bezwaar tegen een boetebesluit van 25 april 2014 en een aanmaning van 30 januari 2017. Het college verklaarde beide bezwaren niet-ontvankelijk: het bezwaar tegen de boete was te laat ingediend en tegen de aanmaning is geen bezwaar mogelijk. De rechtbank bevestigde deze besluiten. In hoger beroep betoogde appellante dat de boete niet rechtsgeldig bekend was gemaakt vanwege een onjuiste tenaamstelling en dat zij de brieven niet had ontvangen.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat het boetebesluit op het juiste adres was verzonden en dat appellante op de hoogte was van het besluit, onder meer door telefonisch contact en aflossingen. Hierdoor was de termijn voor bezwaar verlopen en was het bezwaar niet-ontvankelijk. De aanmaning kwalificeerde als een besluit waartegen geen bezwaar mogelijk is. De Raad bevestigde dat het college het bezwaar tegen de aanmaning terecht niet-ontvankelijk verklaarde.
Daarnaast stelde appellante dat het college niet op haar verzoek om proceskostenvergoeding had beslist, wat een formeel gebrek was. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat appellante niet benadeeld was. De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.