Uitspraak
1 maart 2021, 20/2862 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand tot september 2019 en had een vijfde deel van een woning verhuurd voor €1.000 per maand. Het college bracht vanaf januari 2019 maandelijks €200 in mindering op de bijstand wegens deze huurinkomsten. Na opschorting en intrekking van de bijstand heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de inhouding van huurinkomsten over september 2019 en de reservering van vakantietoeslag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in september 2019 geen huurinkomsten ontving, ondanks opzegging van de huurovereenkomst en uitschrijving van twee huurders. De derde huurder stond nog ingeschreven en appellant verklaarde zelf huurinkomsten te ontvangen.
Verder is vastgesteld dat de vakantietoeslag van €117,64 tijdig is uitbetaald binnen drie maanden na beëindiging van de bijstand, conform artikel 45, eerste lid, van de Participatiewet. Het verzoek om vergoeding van schade wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van huurinkomsten en tijdige betaling van vakantietoeslag worden bevestigd.