Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:753

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2023
Publicatiedatum
25 april 2023
Zaaknummer
22 / 3221 PW-VV-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand na zes maanden uitkering

Verzoeker had op 17 mei 2019 een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen werd afgewezen wegens niet-meewerken aan een huisbezoek. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening vanwege het ontbreken van inkomsten en oplopende schulden.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening ontbreekt omdat verzoeker sinds 11 oktober 2022 bijstand ontvangt en het college al voorziet in maandelijkse betalingen. Eerder had de rechtbank op 23 februari 2023 een voorlopige voorziening toegekend in de vorm van een voorschot op bijstand.

Verzoeker had ook om schadevergoeding gevraagd, maar daarvoor is geen aanleiding in het kader van de voorlopige voorziening. De bodemprocedure wordt samen met andere hoger beroepen van verzoeker waarschijnlijk in september 2023 behandeld. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker inmiddels bijstand ontvangt en geen actueel spoedeisend belang heeft.

Uitspraak

22.3221 PW-VV-PV

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)
Datum uitspraak: 20 april 2023
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: L.G. Cornelissen
Namens verzoeker is [gemachtigde 1] verschenen, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 15 augustus 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van verzoeker van 17 mei 2019 om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) afgewezen. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat verzoeker niet heeft meegewerkt aan een door ambtenaren van het college af te leggen huisbezoek aan het door verzoeker opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 september 2021, 20/6014, het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen deze uitspraak gekeerd (procedurenummer 21/3838 PW). Op 12 oktober 2022 heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
De voorzieningenrechter van de Raad kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij sinds 17 mei 2019 geen inkomsten heeft, waardoor hij veel schulden heeft moeten maken. Daarnaast heeft verzoeker veel aanvragen om bijstand gedaan die telkens door het college buiten behandeling zijn gesteld of zijn afgewezen.
Op 23 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoeker heeft gedaan in het kader van het beroep tegen opnieuw een buiten behandelingstelling van zijn aanvraag, toegewezen. De rechtbank heeft bepaald dat het college aan verzoeker een voorschot op de bijstand moet toekennen. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het college aan verzoeker een voorschot toegekend met ingang van 3 januari 2023. Daarna heeft het college aan verzoeker met ingang van 11 oktober 2022 bijstand toegekend.
Omdat verzoeker nu ongeveer zes maanden bijstand ontvangt, heeft hij geen actueel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Deze voorziening zou bestaan uit het verstrekken van maandelijkse voorschotten door het college. Maar het college voorziet inmiddels al in de maandelijkse betaling van bijstand. Voor zover verzoeker heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding, bestaat in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening geen aanleiding om dit verzoek toe te kennen.
Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.
Ter zitting is besproken dat de bodemprocedure met procedurenummer 21/3838, samen met de andere hoger beroepen van verzoeker zo spoedig mogelijk, waarschijnlijk in september 2023, ter zitting behandeld zullen gaan worden.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer