Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:933

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2023
Publicatiedatum
17 mei 2023
Zaaknummer
23 / 253 WAO-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening in WAO-uitkeringszaak wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 2021, waarin het bezwaar van verzoeker tegen een UWV-besluit niet-ontvankelijk werd verklaard. Verzoeker betwistte de onbevoegdverklaring van de rechtbank Den Haag en wilde dat zijn argumenten inhoudelijk werden beoordeeld.

De Raad bevestigde dat de rechtbank terecht onbevoegd was en dat een verzoek om herziening bij de Raad moet worden ingediend. Verzoeker stelde dat het dagloon uit 1986 onjuist was vastgesteld en dat hij gegevens uit de Antillen nodig had om dit te bewijzen, evenals een herziening van zijn belastingaangifte over 1985.

De Raad oordeelde dat het herzieningsverzoek niet kon slagen omdat het niet ging om nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak onbekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden.

Uitspraak

23.253 WAO-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 januari 2023, 21/5869 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 mei 2021, 20/990 WAO
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 april 2023
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 april 2023. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om herziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Wat aan het verzoek om herziening vooraf ging.
1.1.
De Raad heeft op 28 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1259, uitspraak gedaan in een zaak van verzoeker. In die uitspraak is de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2020, 19/5713 bevestigd. Inhoudelijk ging het over een besluit van het Uwv waarin het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk was verklaard, omdat het bezwaarschrift niet was gericht tegen een door het Uwv genomen besluit.
1.2.
Verzoeker heeft tegen de uitspraak van de Raad van 28 mei 2021 een verzoek om herziening ingediend bij de rechtbank Den Haag. Die rechtbank heeft zich bij uitspraak van 12 januari 2023 onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwezen naar de Raad. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld. Hij is het niet eens met de onbevoegdverklaring van de rechtbank. Hij wil dat zijn argumenten inhoudelijk worden beoordeeld.
1.3.
Volgens de Raad heeft de rechtbank zich terecht onbevoegd verklaard om van het verzoek om herziening kennis te nemen. Een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad moet bij de Raad worden ingediend. De Raad heeft het verzoek om herziening van de uitspraak van 28 mei 2021 in behandeling genomen.
De gronden van het herzieningsverzoek
2. Ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek heeft verzoeker erop gewezen dat het dagloon dat in 1986 is vastgesteld ten behoeve van zijn WAO-uitkering onjuist is vastgesteld en dat hij gegevens nodig heeft vanuit de Antillen om dit te bewijzen. Ook wil verzoeker zijn belastingaangifte over 1985 laten herzien.
Hoe moet een verzoek om herziening worden getoetst?
3.1.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen.
3.2.
Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Herziening van een uitspraak op grond van dat artikel is alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Wat verzoeker aanvoert kan niet leiden tot herziening
4.1.
Zoals ter zitting besproken, heeft verzoeker geen feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld aangevoerd. Verzoeker wil in feite een hernieuwde discussie over de uitspraak van de Raad van 28 mei 2021. Verder wil hij over 1985 een nieuwe belastingaangifte doen. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken.
Conclusie
4.2.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum