De Centrale Raad van Beroep heeft op 24 april 2023 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de vaststelling van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over zijn verzekeringsstatus voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).
De Svb had vastgesteld dat appellant in de periode van 13 november 2003 tot en met 6 november 2016 niet verzekerd was voor de AOW omdat hij in die periode in België woonde. Appellant voerde aan dat er premies voor volksverzekeringen op zijn WAO-uitkering waren ingehouden en dat hij eind 2014 een huis in Nederland had gekocht, waardoor hij meende dat hij als verzekerde moest worden aangemerkt.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant pas op 6 november 2016 in de Nederlandse basisregistratie personen was ingeschreven en dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat hij eerder als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd. Wel is afgesproken dat de Svb nader onderzoek zal doen naar de mogelijkheid van toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de ingehouden premies, hetgeen kan leiden tot een verminderde korting op het AOW-pensioen.
Het hoger beroep is daarmee niet geslaagd en de aangevallen uitspraak is bevestigd. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.