ECLI:NL:CRVB:2023:942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-vervolguitkering wegens arbeidsongeschiktheid onder 35%
Appellant, die sinds 2010 arbeidsongeschikt is vanwege klachten aan zijn rechterarm en de ziekte van Ménière, ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. Na een herbeoordeling in 2020 stelde het UWV het percentage vast op 39,30%, later bij bezwaar en beroep aangepast naar 33,17%, waarna de WIA-vervolguitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat de beperkingen weerspiegelde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, met name psychische en armklachten, onvoldoende waren meegenomen en verzocht om een onafhankelijk deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de medische beoordeling en de FML voldoende waren onderbouwd. De ingediende aanvullende rapporten gaven geen aanleiding tot herziening van de beoordeling. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-vervolguitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-vervolguitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.