Appellant werkte als zelfstandige en had daarnaast een dienstbetrekking. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe, die later werd herzien op basis van inkomsten als zelfstandige over 2017 en 2018. Het UWV vorderde bedragen terug, maar verklaarde bij een besluit van 7 oktober 2021 de bezwaren van appellant gegrond en betaalde de bedragen met rente terug.
Appellant stelde vervolgens een hoger beroep in tegen eerdere uitspraken van de rechtbank, maar het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang, nu het UWV zijn bezwaren had gehonoreerd. Appellant verzocht ook om vergoeding van materiële en immateriële schade, waaronder omzetverlies en stressschade.
De Raad oordeelde dat het omzetverlies onvoldoende was onderbouwd en dat de immateriële schade niet aannemelijk was gemaakt. Een vergoeding voor het aanleveren van financiële stukken over 2011 werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van daadwerkelijke schade.
Wel werd appellant een vergoeding toegekend voor proceskosten en griffierechten in hoger beroep. De Raad sloot de procedure zonder zitting af, omdat partijen geen zitting wensten.
De uitspraak bevestigt dat na een volledige tegemoetkoming door het bestuursorgaan het hoger beroep niet-ontvankelijk is en dat schadevergoedingen alleen worden toegekend bij voldoende bewijs van oorzakelijk verband en concrete schade.