Uitspraak
4 augustus 2023, 23/1025
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De gemachtigde van appellant is bij brief en aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €136,- binnen respectievelijk 28 dagen en vier weken na de brieven. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden en het bestuursorgaan binnen zes weken schriftelijk verzet indienen bij de Centrale Raad van Beroep, waarbij zij kunnen verzoeken om te worden gehoord.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.