Uitspraak
24 november 2023, 23/4319
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens artikel 8:41 Awb Pro dient het griffierecht te worden betaald bij het indienen van het beroepschrift, hetgeen ook van toepassing is op hoger beroep conform artikel 8:108 Awb Pro. Appellant is herhaaldelijk schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €136,- binnen de gestelde termijnen.
Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet tijdig betaald. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.E.M. Marsé in aanwezigheid van griffier A. Giesen op 11 juni 2024.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld door belanghebbenden of het bestuursorgaan.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.