ECLI:NL:CRVB:2024:1268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening kinderbijslaguitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker ontving kinderbijslag voor zijn dochter tot en met het vierde kwartaal van 2020. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na onderzoek vast dat de dochter niet tot zijn huishouden behoorde op de peildatum van dat kwartaal, waardoor hij geen recht had op kinderbijslag. Dit werd bevestigd door de rechtbank en de Raad.
Verzoeker diende een verzoek tot herziening in, stellende dat bepaalde bankgegevens niet waren ingezien door de Svb en de Raad. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om herziening niet ontvankelijk was omdat het niet voldeed aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak onbekend waren en die tot een andere beslissing hadden kunnen leiden.
De Raad benadrukte dat herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over dezelfde feiten, maar voor het corrigeren van een uitspraak op basis van naderhand gebleken onjuistheden. Omdat de bankafschriften reeds waren beoordeeld en verzoeker geen nieuwe relevante stukken aannemelijk maakte, werd het verzoek afgewezen. Verzoeker kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet terugbetaald.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over het recht op kinderbijslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.