Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
2 juli 2024
Zaaknummer
22/3386 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Zij werden meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €136,- binnen een bepaalde termijn. Ondanks herhaalde aanmaningen en de mogelijkheid om vrijstelling aan te vragen, werd het griffierecht niet tijdig voldaan.

Appellanten hebben een verzoek om vrijstelling van het griffierecht ingediend, maar hebben het benodigde formulier niet binnen de gestelde termijn geretourneerd, waardoor het beroep op betalingsonmacht werd afgewezen. Na nog een laatste aanmaning bleef betaling uit.

De Raad oordeelt dat appellanten in verzuim zijn en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 juni 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 25 juni 2024
22/3386 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
26 oktober 2022, 21/4447
Partijen:
[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 1 november 2022 zijn appellanten erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 2 december 2022 zijn appellanten nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellanten er rekening mee moeten houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Bij brief van 16 februari 2023 hebben appellanten een verzoek om vrijstelling van het griffierecht gedaan.
De Raad heeft appellanten met een brief van 21 februari 2023 alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken aan te tonen dat zij aan de vereisten voor vrijstelling van het griffierecht voldoen. Daarbij is erop gewezen dat als het formulier niet op tijd retour wordt gestuurd, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.
Appellanten hebben het formulier niet binnen de termijn retour gestuurd.
Op 23 maart 2023 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
Bij aangetekende brief van 25 maart 2023 zijn appellanten nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellanten er rekening mee moeten houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2024.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.