Uitspraak
2 april 2024, 23/3716
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant bij brief en aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €138,- en de betalingstermijnen.
Appellant heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen voldaan, waardoor het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad oordeelt dat appellant in verzuim is en dat er geen aanleiding is tot verdere inhoudelijke behandeling of proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 juli 2024. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.