ECLI:NL:CRVB:2024:1501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag WAO-uitkering wegens niet opgegeven inkomsten
Appellant ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering met een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV stelde in 2020 vast dat appellant over de periode van 20 juni tot en met 14 augustus 2016 te veel toeslag ontving omdat hij inkomsten had die niet waren opgegeven. Appellant moest daarom €286,82 terugbetalen.
De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat appellant loon had ontvangen van een bedrijf en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat dit loon niet of slechts deels was uitbetaald. De rechtbank corrigeerde een fout in de berekening en bepaalde het terug te vorderen bedrag op €286,82.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel gewerkt had maar het loon slechts deels en contant had ontvangen. De Raad volgde dit niet omdat appellant zijn stelling niet aannemelijk had gemaakt en bevestigde dat het UWV terecht de toeslag had herzien en het bedrag terugvorderde.
Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt dat het UWV de toeslag correct heeft aangepast op basis van de beschikbare loongegevens.
Uitkomst: De terugvordering van €286,82 toeslag op de WAO-uitkering wordt bevestigd.