ECLI:NL:CRVB:2024:1530

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2024
Publicatiedatum
30 juli 2024
Zaaknummer
22/3248 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en afwijzing verzoek proceskostenveroordeling in bijstandszaak

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om haar bijstandsuitkering op te schorten en later in te trekken. Het college had de bezwaren tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens nam het college een herzieningsbesluit waarin het bezwaar tegen de intrekking alsnog gegrond werd verklaard, maar het bezwaar tegen de opschorting bleef niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige indiening.

Appellante trok haar hoger beroep tegen het opschortingsbesluit in en verzocht om een proceskostenveroordeling van het college. De Raad stelde vast dat het herzieningsbesluit alleen betrekking had op het intrekkingsbesluit en niet op het opschortingsbesluit. Omdat het formele gebrek van niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het opschortingsbesluit bleef bestaan, was het college niet tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante in deze procedure.

Daarom was er geen grond voor een proceskostenveroordeling en wees de Centrale Raad van Beroep het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter C.E.M. Marsé op 30 juli 2024.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen na intrekking van het hoger beroep wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het opschortingsbesluit.

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 juli 2024
22/3248 PW, 23/152 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 september 2022, 22/2676
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 26 februari 2024 heeft mr. S. Aarsman, opvolgend advocaat van mr. Vlieger, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met een besluit van 28 oktober 2021 (opschortingsbesluit) heeft het college besloten de bijstand van appellante op te schorten met ingang van 1 november 2021.
Met een besluit van 16 november 2021 heeft het college de bijstandsuitkering van appellante vanaf 29 september 2020 ingetrokken (intrekkingsbesluit).
Appellante heeft met twee afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar gemaakt tegen het opschortingsbesluit en het intrekkingsbesluit. Bij afzonderlijke besluiten van
12mei 2022 heeft het college de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Op 19 december 2022 heeft het college een herziene beslissing op het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit genomen (herzieningsbesluit). Met dit herzieningsbesluit heeft het college het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit alsnog ontvankelijk verklaard en de zaak inhoudelijk beoordeeld. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard en de bijstandsuitkering van appellante ingetrokken vanaf 25 augustus 2021.
Naar aanleiding van het herzieningsbesluit, dat onder zaaknummer 23/152 in deze procedure is betrokken, heeft de Raad bij brief van 28 november 2023 het college een aantal vragen gesteld. De Raad heeft onder meer gevraagd of het college met het herzieningsbesluit ook is teruggekomen van het besluit op bezwaar van 12 mei 2022 inzake de opschorting van het recht op bijstand.
Bij brief van 6 december 2023 heeft het college laten weten dat het herzieningsbesluit enkel ziet op het besluit op bezwaar inzake het intrekkingsbesluit en niet op het besluit op bezwaar inzake het opschortingsbesluit.
Het bezwaar gericht tegen het opschortingsbesluit – waar het hoger beroep van appellante tegen is gericht – blijft niet-ontvankelijk. Vast staat dat appelante haar bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend. Zij heeft immers voor de ontvangst van het opschortingsbesluit getekend en niet binnen de termijn bezwaar gemaakt. Om deze reden is het college van oordeel dat vergoeding van proceskosten in deze procedure niet aan de orde is.
De Raad stelt op basis van dit antwoord vast dat het herzieningsbesluit enkel een wijziging inhoudt van het besluit op bezwaar van 12 mei 2022 dat ziet op het intrekkingsbesluit. Het (afzonderlijk genomen) besluit op bezwaar van 12 mei 2022 dat ziet op het opschortingsbesluit is daardoor niet gewijzigd. De inhoud van het herzieningsbesluit kan evenmin op een andere wijze invloed hebben op de onderhavige hoger beroepsprocedure. Deze ziet immers op een formeel aspect, namelijk de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. Niet in geschil is dat appellante voor ontvangst van het opschortingsbesluit heeft getekend en niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het inhoudelijk andere oordeel van het college over de intrekking van het recht op bijstand tast het formele gebrek dat aan het bezwaar tegen het opschortingsbesluit kleeft niet aan. Het college is met het herzieningsbesluit dus niet tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante in deze zaak.
Voor een proceskostenveroordeling is daarom geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2024.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) A. Giesen