ECLI:NL:CRVB:2024:46
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid en uitkeringsrecht WIA met proceskostenveroordeling
Appellant was sinds 31 januari 2017 ziekgemeld en ontving vanaf 29 januari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.
Op verzoek van de voormalig werkgever stelde het UWV per 6 april 2020 de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit vast op 77,18%, met een loongerelateerde WGA-uitkering en loonaanvullingsuitkering tot 1 mei 2022. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanaf 6 april 2020 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. Het UWV nam een gewijzigd besluit waarin de arbeidsongeschiktheid per genoemde datum werd vastgesteld op 100%, maar niet duurzaam. De Raad vernietigt het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, bevestigt dat appellant recht heeft op een WGA-uitkering wegens volledige, niet duurzame arbeidsongeschiktheid per 6 april 2020 en wijst het beroep tegen het nieuwe besluit af.
De Raad overweegt dat er nog behandelmogelijkheden waren die verbetering konden brengen, waardoor de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. De proceskosten van appellant worden volledig vergoed, inclusief griffierecht en kosten medisch adviseur.
Uitkomst: Appellant komt per 6 april 2020 in aanmerking voor een WGA-uitkering wegens volledige, niet duurzame arbeidsongeschiktheid; beroep tegen het nieuwe besluit wordt afgewezen.