Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar heeft het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. De uitspraak waartegen het beroep is ingesteld, werd op 2 december 2021 toegezonden, waardoor de termijn eindigde op 12 januari 2022. Het beroepschrift werd pas op 6 mei 2022 ontvangen, met een poststempel van 11 april 2022, wat duidelijk te laat is.
Daarnaast is het griffierecht van €136,- niet binnen de gestelde termijn betaald, ondanks meerdere aanmaningen per brief op 1 en 3 november 2022. Appellant heeft geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding en heeft de gestelde termijnen ongebruikt laten verlopen.
De Raad oordeelt dat zowel de indiening van het beroepschrift als de betaling van het griffierecht niet tijdig hebben plaatsgevonden, en dat appellant in verzuim is geweest. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder verdere inhoudelijke behandeling.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier M.S. Autar, en op 11 april 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift en het niet tijdig betalen van het griffierecht.