ECLI:NL:CRVB:2024:809
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering kinderbijslag wegens toepassing Duitse wetgeving
Appellant had kinderbijslag aangevraagd voor zijn kinderen en deze werd toegekend vanaf het derde kwartaal van 2013. Later bleek dat de kinderen sinds augustus 2014 in Duitsland woonden en appellant zelf ook in Duitsland verbleef en een bijstandsuitkering ontving. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het recht op kinderbijslag en vorderde een bedrag van €4.777,41 terug wegens het niet voldoen aan de onderhoudseis en toepassing van Duitse wetgeving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde dat Duitse wetgeving van toepassing was omdat appellant substantieel in Duitsland werkte en woonde. Appellant betwistte dit in hoger beroep, stellende dat hij substantieel in Nederland werkte en daar zijn centrum van belangen had.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde van werkzaamheden in Nederland en dat hij feitelijk in Duitsland woonde met zijn gezin. De Duitse wetgeving was daarom van toepassing en appellant had ten onrechte Nederlandse kinderbijslag ontvangen. De terugvordering door de Svb was terecht en het beroep werd afgewezen.
Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak is gebaseerd op Europese verordeningen 883/2004 en 987/2009 en vaste jurisprudentie over het woonplaatsbeginsel en werklandbeginsel.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van kinderbijslag blijft gehandhaafd.