ECLI:NL:CRVB:2024:893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding vanwege fysieke klachten, maar het UWV weigerde deze omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name omdat hij niet persoonlijk werd onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook stelde hij dat zijn psychische en rugklachten ernstiger waren dan aangenomen, waardoor hij niet in staat zou zijn de functies te verrichten. De Raad volgde dit niet en onderschreef de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de motivering van de verzekeringsartsen.
De Raad stelde vast dat de psychische klachten als reactieve klachten werden gezien zonder aanwijzingen voor een stoornis, en dat de hernia met wortelcompressie pas na de datum in geschil was vastgesteld. Ook was er geen reden voor een urenbeperking. De arbeidskundige beoordeling dat appellant de geselecteerde functies kon vervullen werd eveneens onderschreven.
Hierdoor bleef de weigering van de WIA-uitkering in stand en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.