Uitspraak
12 december 2023, 22/5681
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
(€50,-) en hoger beroep (€ 138,-) heeft betaald.
Centrale Raad van Beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Kort daarna trok zij het hoger beroep in, nadat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar tegemoet was gekomen door het toekennen van een aanvullende beurs met terugwerkende kracht vanaf september 2018.
De minister maakte geen gebruik van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.
De Raad overwoog dat, omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet was gekomen, de minister op verzoek van appellante veroordeeld kon worden tot vergoeding van de gemaakte proceskosten. Aangezien appellante geen andere kosten had gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen, werd bepaald dat alleen het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoed moest worden.
De Centrale Raad van Beroep bepaalde dat de minister het totale griffierecht van €188,- aan appellante vergoedt. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. de Mooij, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 3 juli 2025.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €188,- aan appellante.