Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staat der Nederlanden. De procedure betrof een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag.
De redelijke termijn begon te lopen op 28 april 2021, bij ontvangst van het bezwaarschrift, en eindigde op 28 mei 2025 toen het hoger beroep werd ingetrokken. De Raad oordeelde dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn van vier jaar overschreed, maar met minder dan zes maanden, waardoor een vergoeding van €500 passend werd geacht.
De minister had binnen zes maanden beslist op het bezwaar, zodat de overschrijding uitsluitend in de rechterlijke fase plaatsvond. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €500 schadevergoeding en tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ad €453,50. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 augustus 2025.