Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het incidenteel hoger beroep van betrokkene tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het dagelijks bestuur van de GGD en Veilig Thuis regio verplichtte een CORV-melding te verwijderen uit het dossier. Betrokkene had verzocht om verwijdering van de melding nadat de politie de melding had verwijderd en als niet verzonden had beschouwd.
De rechtbank had het besluit van het dagelijks bestuur tot afwijzing van het verwijderingsverzoek vernietigd en zelf bepaald dat de gegevens vernietigd moesten worden. Het dagelijks bestuur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarop betrokkene incidenteel hoger beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht.
Het dagelijks bestuur trok het hoger beroep in en gaf aan uitvoering te zullen geven aan de uitspraak, waarna de melding daadwerkelijk werd verwijderd. Betrokkene handhaafde het incidenteel hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening, omdat zij duidelijkheid wilde over de omgang met dergelijke meldingen.
De Raad oordeelt dat betrokkene geen voldoende procesbelang heeft omdat het hoger beroep van het dagelijks bestuur is ingetrokken en uitvoering is gegeven aan de uitspraak. Het principiële belang van betrokkene is onvoldoende voor ontvankelijkheid. Daarom verklaart de Raad het incidenteel hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en wijst deze af.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.