Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De Raad wees appellant erop dat een griffierecht van €138,- betaald moest worden binnen een gestelde termijn. Ondanks meerdere aanmaningen en herinneringen is het griffierecht niet betaald. Daarnaast heeft appellant nagelaten een schriftelijke machtiging en ondertekening van het beroepschrift te overleggen, ondanks herhaalde verzoeken en termijnen om dit te herstellen.
De Raad heeft meerdere pogingen gedaan om contact te leggen en de ontbrekende stukken alsnog te ontvangen, waaronder aangetekende brieven die werden geweigerd en een e-mail zonder reactie. Er is geen verontschuldiging voor het verzuim gebleken. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 september 2025. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden aangetekend.