ECLI:NL:CRVB:2025:1865
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade en proceskosten na intrekking hoger beroep WIA-uitkering
Appellante had bezwaar gemaakt tegen een beslissing van het UWV omtrent haar WIA-uitkering. Na een gewijzigde beslissing op bezwaar van het UWV, waarbij appellante vanaf 19 maart 2018 in aanmerking werd gebracht voor een IVA-uitkering, trok zij haar hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzoek tot proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad constateerde dat de totale procedureduur vanaf het indienen van het bezwaar op 12 februari 2018 tot het tegemoetkomende besluit op 4 oktober 2024 ruim zes jaar en acht maanden bedroeg, wat de redelijke termijn met 32 maanden overschreed. De overschrijding deed zich uitsluitend voor in de rechterlijke fase, aangezien de bestuurlijke fase binnen de termijn bleef. Op grond hiervan werd een immateriële schadevergoeding van €3.000,- toegekend.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken in beroep en hoger beroep, waaronder kosten van een medisch adviseur, rechtsbijstand en reiskosten, totaal €7.547,13. De Staat werd veroordeeld in proceskosten verband houdend met het schadevergoedingsverzoek (€453,50). Tevens moest het UWV het betaalde griffierecht vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek namens de Centrale Raad van Beroep op 17 december 2025.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €3.000,- en het UWV tot vergoeding van proceskosten van €7.547,13 na intrekking van het hoger beroep.