ECLI:NL:CRVB:2025:1897

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
23/3203 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 PWArt. 44 PWArt. 44a PWArt. 7 AfstemmingsverordeningArt. 9 Afstemmingsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen op re-integratiegesprek

Appellante ontving bijstand en werd uitgenodigd voor een gesprek met haar doelmatigheidscoach op 29 maart 2022, nadat zij een eerdere afspraak wegens ziekte had verzet. Zij verscheen niet op deze afspraak en leverde geen verifieerbaar bewijs van ziekte, ondanks verzoeken van het college. Het college legde daarom een maatregel op door haar bijstand met 100% te verlagen, later bij bezwaar verlaagd naar 50%.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de maatregel, stellende dat appellante verwijtbaar niet had meegewerkt aan haar re-integratieverplichting. De rechtbank vond het beleid van directe verlaging zonder waarschuwing niet onredelijk.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over proportionaliteit en subsidiariteit, maar de Raad volgde de rechtbank en voegde toe dat uit het toekenningsbesluit duidelijk was dat niet verschijnen gevolgen kon hebben. Het hoger beroep werd verworpen, de maatregel bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand wegens het niet verschijnen op het re-integratiegesprek blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 oktober 2023, 23/212 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 16 december 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de als maatregel opgelegde verlaging van de bijstand van appellante. Het college vindt dat appellante zich door niet te verschijnen op de afspraak met de doelmatigheidscoach schuldig heeft gemaakt aan het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de PW. Hierdoor heeft zij niet aan haar re-integratieverplichting voldaan, zodat een maatregel moet worden opgelegd. Appellante is het om verschillende redenen niet eens met de verlaging van de bijstand. In hoger beroep krijgt appellante geen gelijk, de maatregel blijft in stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Çiçek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het ermee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving vanaf 18 augustus 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de jongerennorm. Op 16 februari 2021 heeft appellante de leeftijd van 21 jaar bereikt. Met een besluit van 26 februari 2021 heeft het college aan appellante met ingang van 16 februari 2021 bijstand toegekend naar de kostendelersnorm voor twee personen.
1.2.
Appellante was uitgenodigd door haar coach voor een gesprek op 8 maart 2022. Appellante heeft per mail op 4 maart 2022 laten weten dat zij niet kan verschijnen in verband met ziekte en heeft verzocht de afspraak te verzetten naar 29 maart 2022.
1.3.
Bij brief van 7 maart 2022 is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 29 maart 2022 om kennis te maken met haar nieuwe coach en afspraken te maken over haar mogelijkheden nu zij gestopt is met haar studie. Hierbij is verzocht om – onder meer – sollicitatiegegevens mee te nemen. Op 24 maart 2022 heeft appellante opnieuw laten weten niet op de afspraak te kunnen komen. De doelmatigheidscoach heeft per mail van diezelfde datum aan appellante medegedeeld dat op dinsdag 29 maart 2022 om 14.00 uur de afspraak gepland staat om alles te kunnen bespreken en dat als appellante zich ziek meldt voor de afspraak zij uiterlijk maandag 28 maart duidelijk verifieerbaar bewijs moet overleggen van een huisarts of andere behandelaar waarom zij op dat moment niet kan komen. Hierop heeft appellante dezelfde dag per mail gereageerd met de mededeling dat zij ziek is en niet naar de dokter mag gaan en daarom het gevraagde niet kan leveren. Appelante is niet op het gesprek verschenen.
1.4.
Met een besluit van 3 mei 2022 heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 29 maart 2022 voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Appellante is niet verschenen op de afspraak met de doelmatigheidscoach op 29 maart 2022 en zij heeft geen verifieerbaar bewijs overgelegd waarom het voor haar niet mogelijk was om op deze afspraak te verschijnen. Volgens het college heeft appellante daardoor verwijtbaar niet of niet genoeg meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het college heeft de maatregel gebaseerd op artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.5.
Met een besluit van 7 december 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 29 maart 2022 voor de duur van een maand met 50% verlaagd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante zich door niet te verschijnen op de afspraak met de doelmatigheidscoach op 29 maart 2022 schuldig heeft gemaakt aan het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de PW. Dit levert een schending op van de integratieverplichting. Het college heeft de maatregel gebaseerd op artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 7, aanhef en onder b, onderdeel i, en artikel 9, eerste lid en onderdeel b, van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en 1OAZ gemeente Venlo 2022 (Afstemmingsverordening).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daaraan heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat vaststaat dat appellante niet is verschenen op de afspraak van 29 maart 2022 en dat het niet de eerste keer is dat appellante niet is verschenen op afspraken. De afspraken hadden allemaal hetzelfde doel, namelijk om een nieuw plan van aanpak in te vullen en nieuwe afspraken te maken in het kader van haar mogelijkheden tot re-integratie. Van het niet verschijnen op het gesprek van 29 maart 2022 kan appellante een verwijt worden gemaakt. Uit de gang van zaken wordt duidelijk dat het college bewijs wilde hebben van de gestelde ziekte van appellante. Het college liet dit ruim op tijd weten en er is geen enkele reden om aan te nemen dat appellante niet in de gelegenheid was hieraan gehoor te geven. Dat appellante ziek was en meer specifiek corona had, blijkt uit niets en dat zij zich vanwege bloedneuzen niet kon laten testen evenmin. Van dit laatste had appellante bijvoorbeeld ook een begin van bewijs kunnen overleggen, maar ook dit ontbreekt. Het is de rechtbank niet gebleken van een geldige reden om niet op de afspraak te verschijnen. Het standpunt van appellante dat het meer in de rede had gelegen om haar een waarschuwing op te leggen, volgt de rechtbank niet. Noch de PW, noch de Afstemmingsverordening schrijft voor dat in een geval als dit eerst een waarschuwing moet worden gegeven. De rechtbank acht dit beleid, waarin niet eerst een waarschuwing wordt gegeven, maar direct tot verlaging wordt overgegaan, ook niet onredelijk. Doel van een maatregel is immers dat iemand zijn gedrag verandert. De kans dat dit gebeurt bij een financiële prikkel acht de rechtbank groter, dan wanneer wordt volstaan met een waarschuwing. In wat appellante heeft aangevoerd heeft het college geen redenen hoeven zien om de maatregel te verlagen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW .
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij voert, mede onder verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep, aan dat de opgelegde maatregel in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zij heeft steeds een gerechtvaardigde reden opgegeven waardoor zij niet kon verschijnen op de afspraak. Het lag op de weg van het college om in de veelvuldige correspondentie die er was met appellante aan te geven wat de consequentie zou zijn als zij niet zou verschijnen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de regels uit de gemeentelijke verordening die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van de in beroep en bezwaar aangevoerde gronden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. In het toekenningsbesluit van 26 februari 2021 staan de verplichtingen opgesomd waar appellante zich aan dient te houden om zo snel mogelijk weer in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Onder meer is vermeld dat appellante dient mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak en dat wanneer appellante zich niet houdt aan de verplichtingen zij het risico loopt dat het college haar uitkering tijdelijk zal verlagen. Het had appellante dus duidelijk moeten zijn dat het niet verschijnen op het gesprek op 29 maart 2022 gevolgen voor haar bijstandsuitkering zou kunnen hebben.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de opgelegde maatregel in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en regels uit de gemeentelijke verordening
Artikel 9 van Pro de Participatiewet
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
b) gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a.
Artikel 18 van Pro de Participatiewet
1. (…)
2. Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
3. (…)
4. Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:
(..)
h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
10. Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 44 van Pro de Participatiewet
(..)
4. Bij een besluit tot toekenning van algemene bijstand voor zover dat ziet op personen van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar, wordt, in een bijlage, een plan van aanpak opgenomen als bedoeld in artikel 44a.
Artikel 44a van de Participatiewet
1. Het plan van aanpak bevat:
a. indien van toepassing de uitwerking van de ondersteuning;
b. de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen.
2. Het college begeleidt een persoon die recht heeft op algemene bijstand bij de uitvoering van het plan van aanpak en evalueert, in samenspraak met die persoon, periodiek het plan van aanpak en stelt dit zonodig bij.
Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Venlo 2022
Artikel 4
1. Het college ziet af van een verlaging als:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
(..)
2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Artikel 7
Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
(..)
b. tweede categorie:
i. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Wet;
(..).
Artikel 9
De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van deze verordening, wordt vastgesteld op:
(..)
b. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;
(..)