ECLI:NL:CRVB:2025:270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
20 februari 2025
Zaaknummer
24/2570 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen voorlopige voorziening WIA

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland waarin het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid Awb.

Daarom verklaart de Raad zich onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep en besluit zonder verder onderzoek. Tevens wordt appellant gewezen op de mogelijkheid om bij de rechtbank een nieuw verzoek om voorlopige voorziening in te dienen indien er bij de kennisgeving van de zitting iets mis is gegaan.

Verder merkt de Raad op dat het wrakingsverzoek dat in het hoger beroepschrift wordt genoemd, zal worden doorgezonden aan de rechtbank voor beoordeling. Appellant heeft geen griffierecht betaald, maar de Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 februari 2025
24/2570 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2024, 24/3425 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

Met de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening afgewezen. Dit is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Daarbij wordt opgemerkt dat appellant, als er bij de kennisgeving van de zitting bij de rechtbank iets verkeerd is gegaan, bij de rechtbank een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kan indienen. Omdat in het hoger beroepschrift wordt gesproken over wraking van de behandelend rechter, zal de Raad dit aan de rechtbank doorsturen. De rechtbank kan dan beoordelen of dit geschrift in behandeling moet worden genomen als wrakingsverzoek.
Appellant heeft in hoger beroep geen griffierecht betaald.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
A.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.